| In de middeleeuwen leefde men
onder een heerlijk regime. Het gezag werd uitgeoefend door
de koninklijke of door de keizerlijke macht, door de leken-
en kerkelijke heren, door de stads- en landelijke gemeenschappen.
Steden groeiden langzaam en de heren werden ertoe gedwongen
(met geweld, door aankoop of na onderhandelingen) een reeks
rechten toe te staan: het recht om te kopen, te verkopen, heen
en weer te gaan, maar ook het recht om de door de heer geëiste
belastingen vrij tussen de stadbewoners te verdelen en om een
militie op te richten, ...
Heren en gemeenschappen bepaalden hun rechten en plichten
en stelden ze te boek in handvesten van vrijdommen. De
gemeenten richtten politieke instellingen op, vaak bestaande
uit een raad der burgers (waar ambachtsmannen soms ook
hun standplaats konden houden), het schepenambt, met
schepenen en één of meerdere burgemeester(s)
en de vertegenwoordiger van de heer.
Na de gouden eeuwen der gemeenschappen (XIIIde en XIVde
eeuwen) wensten de vorsten de macht te centraliseren
en de oude gemeentelijke vrijdommen te verminderen. Deze
instellingen werden gekenmerkt door hun verschillendheid
en de gemeenschappen hielden aan dergelijke bijzonderheden.
De Franse Revolutie bracht één enkel model
voor de gemeenten. Sinds 1 oktober 1795 werden we inderdaad
officieel door Frankrijk geannexeerd. Het Decreet betreffende
de gemeentebesturen, geldig vanaf 14 december 1789, werd
dus ook bij ons van toepassing. De lokale bijzonderheden
en vrijdommen werden afgeschaft. De "actieve" burgers
(dus degenen die belastingen betaalden ter hoogte van
een bepaalde som) verkozen de leden van de "gemeenteraad" en
van de "algemene raad" van de gemeente, die
door een burgemeester werd geleid. Deze laatste werd
door de "actieve" burgers voor een periode
van twee jaar verkozen.
Het onderscheid dat toen werd gemaakt tussen de gemeentelijke
bevoegdheden is nu nog geldig. Men maakt het verschil
tussen de bevoegdheden die bijzonder zijn aan het gemeentebeheer
(het gemeentelijke belang) en de bevoegdheden die onder
het algemene staatsbestuur vallen (dus bevoegdheden die
door de staat worden bepaald maar aan de gemeenten worden
overgedragen).
België bleef onder Franse bezetting tot 1815. Tijdens
die periode verloren de gemeenten sommige van hun bevoegdheden
en werden stilaan administratieve onderverdelingen van
de centrale macht, waarvan de leiders ambtenaren waren
die door het oppergezag werden benoemd.
Tijdens de Hollandse periode (1815-1830) vonden de gemeenten
een zekere vrijheid terug, maar Koning Willem I legde
ook een meer gecentraliseerde organisatie op. De benoeming
tot burgemeester werd bij voorbeeld aan de vorst voorbehouden.
Hij kon trouwens de burgemeester buiten de gemeenteraad
benoemen, die toen regentschapsraad heette. De leden
van die regentschapsraad waren voor hun ganse leven gekozen..
Het onafhankelijke België keerde naar de principes
van het Franse decreet uit de Revolutieperiode terug:
dit decreet wordt nog heden als dé bron van ons
gemeenterecht beschouwd.
In 1831 waren er 2.498 gemeenten in België. Ingevolge
de fusie der gemeenten die in 1977 doorging (en die van
de Antwerpse gemeenten in 1983) werd het aantal gemeenten
tot 589 gebracht. Deze fusie had echter geen gevolgen
op het toekomende Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.
Bron : CRISP.
|